
Tandriemaandrijvingen voor de aandrijving van nokken- of balansassen worden reeds 40 jaar met succes seriematig ingezet in verbrandingsmotoren. Bij oudere constructies werd de tandriem voorgespannen door middel van een excentrisch gelagerd aggregaat in de tandriemaandrijving (bijvoorbeeld de waterpomp), of door middel van zogenoemde starre spanrollen (excenterspanrollen et cetera).
Een optimale instelling van het riemvermogen is met dergelijke systemen niet mogelijk, omdat temperatuur- of slijtageafhankelijke schommelingen van het riemvermogen, evenals dynamische effecten (riemtrillingen, invloeden uit de klepaandrijving, enzovoort) niet gecompenseerd kunnen worden. De compensatie van dergelijke schommelingen en effecten door automatische riemspansystemen is bij moderne tandriemaandrijvingen absoluut vereist, want alleen zo kan de intussen door de automobielindustrie vereiste systeemlevensduur van 240.000 km en meer (overeenkomstig de motorlevensduur) worden bereikt.
Bij gebruik van een automatisch riemspansysteem kan ten eerste de spreiding van de voorspankracht bij eerste montage duidelijk gereduceerd worden, ten tweede wordt de voorspankracht door middel van de bedrijfstemperatuur van de motor bijna constant gehouden. Automatische riemspansystemen worden sinds het begin van de jaren 90 bij tandriemaandrijvingen in verbrandingsmotoren ingezet en hebben de starre systemen om de hierboven vermelde redenen zoveel mogelijk van de markt verdrongen.
Uit bovenstaande voorwaarden vloeien derhalve onderstaand de voornaamste eisen voor automatische spansystemen voort: